De standaard opbouw uitgelegd, met tips per hoofdstuk.
De structuur van je masterproef is het skelet van je argumentatie. Een goede structuur maakt je tekst leesbaar, beoordeelbaar en overtuigend. Hieronder de standaard opbouw die de meeste promotoren verwachten.
Dit is de gangbare structuur voor empirisch onderzoek. Bij doctrinair onderzoek (rechten), close reading (letteren) of design-onderzoek (ingenieurswetenschappen) kan de opbouw afwijken. Je promotor is de beste bron voor disciplinespecifieke verwachtingen.
Een inleiding hoeft niet alles te dekken. Haar taak is simpel: waarom dit onderzoek, wat is de vraag, en hoe is deze tekst opgebouwd. Alles wat in het literatuurhoofdstuk thuishoort, hoort niet in de inleiding.
Een goede literatuurstudie werkt als een trechter: van breed (het veld) naar smal (jouw specifieke lacune). Veel studenten schrijven een vlakke opsomming van bronnen zonder die trechterbeweging.
Het is niet genoeg om te zeggen wat je deed. Je moet ook uitleggen waarom. Waarom interviews en geen survey? Waarom deze steekproefomvang? Zonder verantwoording hangt je methode in de lucht.
In het resultatenhoofdstuk presenteer je bevindingen. In de discussie interpreteer je ze. Studenten mengen deze twee vaak, wat de tekst onduidelijk maakt voor de lezer.
Uit analyse van honderden scripties blijkt dat de volgende verhoudingen gangbaar zijn:
Dit zijn richtlijnen, geen regels. Een kwalitatief onderzoek zal een groter methodehoofdstuk hebben. Een doctrinaire scriptie heeft mogelijk geen apart resultatenhoofdstuk. Laat je leiden door je discipline en promotor.
Ongeveer 40% van de scripties heeft geen apart literatuurhoofdstuk. Dat is geen fout. Wat telt is dat de theoretische onderbouwing ergens in je tekst staat, niet of er een specifiek kopje voor is.
Wil je weten of de structuur van jouw masterproef klopt?
Masterproef laten nakijken